Overheidsbemoeienis

Net zoals voor veel andere beroepen waren er voor voor het vestigen als piercer geen eisen. Je schreef je in bij de kamer van koophandel kreeg een BTW nummer en de vestiging was een feit. Vanaf begin jaren 90 van de vorige eeuw zag je de eerste piercingshops verschijnen met name in de randstad. De ggd van Amsterdam was de eerste instantie die zich echt ging bezighouden met de manier waarop in deze shops werd gewerkt. Deze bemoeienis ging zo ver dat er, in overleg met de piercers een verzameling richtlijnen werd opgesteld die de piercers een houvast gaven hoe ze hun werk veilig en verantwoord konden doen, verder voerde de ggd inspecties uit bij de diverse shops. Helaas bleef dit tot Amsterdam beperkt, in andere steden werd hier niet of nauwelijks aandacht aan besteed. Het was als niet Amsterdams piercer overigens wel mogelijk deze richtlijnen bij de ggd te bestellen.

Toen in het begin van deze eeuw het ministerie van volksgezondheid voorbereidingen trof om het gebruik van gevaarlijke stoffen in tattoeerpigmenten te reguleren kwam in het overleg met de tattoeerders naar voren dat ook de hygiene bij tattoeerders en piercers vaak te wensen overliet. Onderzoek liet zien dat dit ook wel zo was en er werd besloten dit onderwerp in aparte wetgeving te gaan reguleren. Met name de tatoeerders (piercen werd er in de meeste gevallen door hen bijgedaan) hadden hiermee ook de hoop dat niet geregistreerde bedrijven (beunhazen) hiermee aangepakt en geweerd konden worden. Hun steun voor de wetgeving was dus erg groot. Helaas bleek naderhand dat dit niet zo eenvoudig was. Het resultaat is geworden dat we momenteel richtlijnen ( Hier downloaden) hebben die landelijk gelden en er is een database (hier te vinden) van door de ggd gecontroleerde zaken. Een en ander is helaas wel gekoppeld aan een eigenlijk zinloos vergunningstelsel waarbij de goede zaken een vrij hoog bedrag betalen voor een vergunning en waarbij de malafide zaken niet echt duidelijk worden aangepakt. Dit roept vaak vervelende gevoelens op bij de beroepsbeoefenaren die volledig legaal hun werk zo goed mogelijk willen doen.  

Minderjarigen.

Met het invoeren van de hygiëneregeling die op 1 juni 2007 van kracht is geworden, is ook het piercen van minderjarigen aan regels gebonden. Er zijn in beginsel twee leeftijdsgrenzen, 12 jaar en 16 jaar. Beneden 12 jaar mag alleen het oorlel gepierced worden. Vanaf 16 jaar mag iedereen zelfstandig beslissen over het zetten van een piercing. In de periode van 12 tot 16 jaar mag de minderjarige alleen in het bijzijn van een wettelijk vertegenwoordiger gepierced worden.

Er zijn twee uitzonderingen en wel de tepelpiercing bij meisjes en de genitale piercings, dezen mogen pas vanaf 16 jaar gezet worden.

In tegenstelling tot de tepels bij jongens die nauwelijks veranderen, groeit de tepel van meisjes zodra de borstgroei aanvangt vrij sterk. In de meeste gevallen bestaan ze dan uit vrij zacht en losmazig weefsel, dit geeft weinig houvast voor een piercing. Vaak zie je dan ook migratieproblemen, waarbij het sieraad werkelijk alle kanten uit kan groeien, zelfs naar binnen. Het is dan ook verstandiger te wachten tot de tepels voldoende stevigheid hebben. De grens van 16 jaar is in dat opzicht redelijk, maar toch zul je in voorkomende gevallen er beter aan doen ook na het 16e jaar dit soort zachte tepels niet te piercen.

Gezien vanuit de piercing techniek en de anatomie zijn er weinig argumenten tegen het zetten van piercings in het genitale gebied bij jongeren vanaf 12 jaar. Zodra de genitalia de bij de pubertijd horende eerste groeispurt hebben doorgemaakt(meisjes 12-13 jaar, jongens 13-14 jaar), kan een piercing de verdere ontwikkeling nauwelijks beïnvloeden. De waarde van de beperking die er toch op rust moet eerder gezocht worden in de bescherming van zowel minderjarige als de piercer.

Wees met het piercen van minderjarigen extra voorzichtig. De ouders en klant worden in beginsel bij klachten geloofd en de piercer moet aantonen dat hij correct gehandeld heeft. De wet is vooral toegespitst op bescherming van de klant. Van belang is een goede identificatie. Het is zonder meer verstandig om te allen tijde een identiteitsbewijs te vragen en het nummer van dit bewijs vast te leggen in de instemmingsverklaring. Hiermee leg je vast dat je de leeftijd gecontroleerd hebt. Bij mensen die jonger zijn dan 16 jaar, dien je ook de begeleidende ouder te identificeren. Dit kan wat moeilijker zijn, omdat namen lang niet altijd de gewenste zekerheid geven omtrent familieband. Het beste wat je in dat geval kan doen is het nummer van het identificatiebewijs en de relatie van de volwassene ten opzichte van je klant vastleggen.

  • Wil piercers verzamelen in heel Europa om gezamenlijk het piercen in Europa gezicht te geven.
logo
Overheid